Menu Content/Inhalt
Het mannetje 20 (Vertrouwen)
vrijdag 08 juni 2007

De glans was er vanaf. Sinds die dag drie jaar geleden, toen haar kleinkind overleed, was er niet veel meer over om van te genieten. Natuurlijk, haar man, kinderen en de andere kleinkinderen had ze nog, maar het verlies van dat kleine ventje legde meer gewicht in de weegschaal. Vragen te over. Vooral aan God. Waarom moest dit nu gebeuren? Waar was nu dat goed dat Hij had weggelegd voor hen die voor Hem vrezen (psalm 31)? Waarom had ze eigenlijk die psalm uit haar hoofd moeten leren die zegt 'Opent uwe mond, eist van mij vrijmoedig op Mijn trouw verbond, al wat u ontbreekt, schenk ik als gij 't smeekt, mild en overvloedig'?

Vast liep ze. In haar geloof. Met haar lichaam. Kanker. Nog meer vragen. Wat worstelde ze met de God die haar Vader was. De God van wie ze in een gedicht ooit schreef dat Hij haar zorgen kende voordat zij ze aan Hem had gezegd. Haar Haven. Haar Schuilplaats. En nu? Verbittering dreigde haar geloof te verstikken.

En juist in die tijd, toen de kanker haar lichaam sloopte, vond ze haar God opnieuw. Wat was ze op zoek gegaan naar genezing. Ze wilde verder. Voor haar lieve man, haar (klein)kinderen. Als God nu eens dat wonder zou geven van genezing van die verschrikkelijke ziekte! Welk een sprake zou daar vanuit gaan! Mensen zouden er misschien door tot geloof komen. Was dat niet haar diepste wens? En dus bezocht ze een gebedsgenezingsdienst. En er werd door haar eigen gemeente een ziekenzalvingsdienst belegd. Maar nee, het mocht niet baten. Ze bleef ziek. Of...?

Er was voor haar gebeden. Ze was gezalfd. De kanker ging er niet van weg. Maar o wonder: De bitterheid week. De boosheid op God vanwege Zijn weg met haar leven werd overwonnen. Waren daarmee alle vragen beantwoord? O nee, dat zeker niet. Maar het uitblijven van Gods antwoord maakte haar nu niet meer bitter. Ze vertrouwde erop dat God het haar eens zou uitleggen, waarom dit nu allemaal moest gebeuren. En elke dag die ze van Hem kreeg was een stap dichter bij haar doel: Voor eeuwig bij God de Vader en Jezus Christus zijn. In de nieuwsbrief van de school waar ze als invalkracht werkzaam was schreef ze daarom ook de volgende woorden: Voor mij geen hopeloos einde maar een eindeloos hopen. En zo kon er op haar begrafenis gezongen worden:

Uw tederheid genas,
wat er bitter in mij was.
Uw heil neem ik aan, o Heer.
Uw liefde overwon,
keerde al mij boosheid om.
Uw heil neem ik aan, o Heer.

Het mannetje was diep onder de indruk. Wat was hij getroffen door de tekening van deze worsteling door zijn nicht en de predikant die de samenkomst leidde. Getroffen ook door de citaten uit het dagboek van zijn tante waarin ze aangaf hoe moeilijk ze het vond om haar God te blijven vertrouwen. Getroffen vooral door de genade die haar tenslotte ten deel was gevallen in haar overgave aan deze hemelse Vader. Opnieuw had God niet laten varen wat Zijn hand ooit was begonnen. De rij van geloofsgetuigen uit Hebreeën 11 was voor het mannetje met één uitgebreid. Dank aan God.

 

Klik hier!

Klik hier
designed by www.madeyourweb.com